|
De
eerste maanden van mijn ontvoering in Dagestan van 2002
tot 2004 had ik nodig om me aan te passen aan de mensonterende
omstandigheden. Dertien zwaarbewapende, gemaskerde mannen
hadden mij van mijn vrijheid beroofd en hielden mij vast
in een vochtig, schemerig kamertje van drie vierkante
meter. Hoewel de situatie na verloop van tijd draaglijker
werd en het contact met mijn ontvoerders beter, toch bleef
ik afhankelijk van hun willekeur. Om alle ontberingen
te kunnen doorstaan, zat er niets anders op dan me te
vermannen. Dit woord heeft dan ook een nieuwe betekenis
voor mij gekregen.
Na verloop van tijd probeerde ik zo goed en zo kwaad als
het ging weer wat greep te krijgen op de situatie waarin
ik me bevond. Ik stelde ik me geregeld voor dat mijn verblijf
onder betere omstandigheden een unieke gelegenheid zou
zijn geweest om antropologisch onderzoek te doen naar
moslimrebellen.
Participerende observatie is een vaak toegepaste onderzoeksmethode
om meer te weten te komen over een cultuur of subcultuur.
Ook ik heb er tijdens mijn studie en mijn werkzaamheden
als cultureel antropoloog en humanitair hulpverlener gebruik
van gemaakt. Van participeren was zeker in het begin van
mijn gijzeling geen sprake, maar ik had ruim de tijd om
mijn ontvoerders te observeren. Toen in de loop van de
tijd het contact met de rebellen beter werd, kwam ik meer
te weten over hun achtergronden, opvattingen, geloof en
activiteiten.
Tijdens mijn ontvoering intrigeerde het mij te zien hoe
een groep van dertien volwassen mannen vol overtuiging
hun leven in dienst stelde van de - volgens hen - pure
islam, met alle ongemakken van dien. Eentonigheid, gebrek
aan privacy, kou en vochtigheid, het leven in een kleine,
in de grond uitgegraven schuilplaats en stoorden hen niet.
Ze bleven gedisciplineerd en hielden zich aan de islamitische
voorschriften en wetten. Hun spiritualiteit en onderling
goede omgangsvormen hadden soms iets weg van een kloosterorde.
Hun gebeden, koranstudie, verdieping in het leven van
de profeet Mohammed en de strijd tegen de Russen gaven
hun, zoals ze mij vertelden, rust in het aardse leven
en een goed vooruitzicht op een mooie plaats in het paradijs,
zodat ze tot in de eeuwigheid van het goede leven konden
genieten.
In Nederland
waren in 2004 inmiddels de eerste slachtoffers van moslimterrorisme
gevallen, na aanslagen in de Verenigde Staten en Spanje,
met de moord op Van Gogh als voorlopig dieptepunt. De
vrees voor nieuwe aanslagen is sindsdien alom aanwezig
en terrorisme wordt in het Westen breed uitgemeten in
de media. De berichtgeving richt zich vooral op terroristische
daden die gepleegd worden, op de leden van terreurnetwerken
en op de dreiging die daarvan uitgaat. In het voetspoor
daarvan speelt het allochtonendebat: de discussies over
en de angst voor de steeds groter wordende invloed van
de islam op onze samenleving.
Net als iedere vorm van extremisme is moslimterrorisme
in mijn ogen verwerpelijk. Dat ik zelf slachtoffer van
deze vorm van extremisme ben geweest, speelt daarbij
niet eens zo’n grote rol. Maar ondanks de weerstand
van het overgrote deel van de Nederlandse bevolking
tegen enige vorm van extremisme, groeit de groep van
radicaliserende jongeren gestaag. In september 2007
zei minister Ter Horst tijdens een debat in de Tweede
Kamer over het jaarverslag van de AIVD dat twintig-
tot dertigduizend mensen ontvankelijk zijn voor het
salafisme, een fundamentalistische stroming binnen de
islam. Vijfentwintighonderd van hen worden gerekend
tot de activistische kern.
Met alleen het verwerpen van extremisme, het verslaan
van de gebeurtenissen en het bekritiseren van de fundamentalistische
islam zijn we er dus niet. Ik vond het daarom tijd om
me te verdiepen in de dieper liggende oorzaken van het
moslimterrorisme. Ik wilde de drijfveren van terroristen
vanuit hun eigen optiek bestuderen en beschrijven, om
hun achtergronden en hun perspectieven inzichtelijk
te maken.
Het leek mij tijd de angst, of wellicht het taboe, om
over deze achtergronden te schrijven en te spreken -
uit vrees dat nog meer jongeren zich zullen vereenzelvigen
met de fundamentele islam en verder zullen radicaliseren
- terzijde te schuiven. Om iets van radicaliseringsprocessen
te begrijpen, kan het verhelderend zijn om je in een
dergelijke geestesgesteldheid te verplaatsen - zonder
daar overigens begrip voor op te brengen of te stoppen
met vervolgen en opsluiten. Begrijpen en begrip worden
nog wel eens met elkaar verward, maar hebben toch duidelijk
verschillende betekenissen.
Een
positieve bijkomstigheid van mijn ontvoering was dat
ik als een van de weinige Nederlanders een groep rebellen
van dichtbij had zien functioneren. De ervaringen die
ik met mijn ontvoerders had opgedaan, en de kennis die
ik door gesprekken met hen had gekregen, leken mij een
zeer geschikte basis om het radicaliseringproces en
de hang naar de jihad onder een groeiende groep jongeren
inzichtelijk te kunnen maken. Aanvullende bronnen zoals
informatie van radicale internetsites, rapporten van
veiligheidsdiensten, literatuur over terrorisme en gesprekken
met velerlei mensen droegen bij aan een nog groter inzicht.
Samir A. is een van de bekendste fundamentalistische
moslimjongeren van Nederland. Op dit moment zit hij
vast in een zwaarbeveiligde gevangenis voor het plannen
van terroristische activiteiten. In 2003 probeerde hij
naar Tsjetsjenië af te reizen om daar de rebellen
te ondersteunen in hun strijd tegen de Russische overheid.
Juist vanwege Samirs voornemen om in naam en opdracht
van Allah zijn moslimbroeders in Tsjetsjenië te
hulp te schieten tegen de ongelovige bezetter sluit
zijn levensverhaal goed aan bij de ervaringen van de
Tsjetsjeense en Dagestaanse rebellen.
Het eerste contact met Samir A. werd gelegd via zijn
advocaat.
Na dat eerste gesprek besloot Samir dat hij wel wilde
meewerken aan een boek waarin ik zijn levensgeschiedenis
tot aan zijn mislukte reis naar Tsjetsjenië als
voorbeeld kon gebruiken om inzichtelijk te maken hoe
de belevingswereld van deze jongeren eruitziet. Nadat
ik na een paar vervolggesprekken het een en ander op
papier had gezet, kreeg ik van Samir een kopie van zijn
dagboek, Deurwaarders van Allah. Het omvat zo’n honderd
A4tjes en geeft een overzicht van zijn kinderjaren,
zijn jeugd en zijn ontwikkeling tot, zoals hij dat zelf
noemt, fundamentele moslim.
Ik weet dat Samir uit nieuwsgierigheid over mijn ontvoering
instemde met mijn eerste bezoek aan de gevangenis. De
precieze reden waarom hij mij zijn dagboek liet lezen,
ken ik niet. Ik heb hem er ook niet naar gevraagd. Wel
heb ik hem verteld dat ik, hoewel ik zijn standpunten
verwerp, van plan was een boek te schrijven waarin ik
licht wilde werpen op het gedachtegoed van jonge radicale
Nederlandse moslims, vanuit hun eigen perspectief.
Dit boek
is niet het letterlijke levensverhaal van Samir A. Niet
alle scènes die erin voorkomen, hebben zich precies
zo afgespeeld. Maar ze hadden zo kunnen gebeuren. Dit
boek is mijn interpretatie van de wereld waarin jongens
als Samir leven. Wat betreft het gedeelte van het boek
dat zich in Nederland afspeelt, heb ik ervoor gekozen
om zo dicht mogelijk bij zijn verhaal van Samir A. te
blijven, al zijn er ook delen, zoals de huiskamergesprekken
bij Mohammed B. en het verhaal dat Ismaël aan Samir
vertelt over de gebeurtenissen in het Laakkwartier,
waar ik andere bronnen voor heb geraadpleegd.
Ik ben geen journalist. Het ging mij niet om nog onbekende
nieuwsfeiten, of om het uitlokken van Samir om mij te
vertellen wat hij allemaal van plan was. Ik wil inzichtelijk
maken wat radicaliserende, fundamentele jongeren drijft,
en waar hun geloofsovertuiging op is gebaseerd. Ik probeer
helder te krijgen wat hen zo aantrekt in deze vorm van
fundamentele, gewelddadige islam. Ik heb geprobeerd
te laten zien wat zich in deze groep mensen afspeelt.
Waarom is de pure islam zo aantrekkelijk voor hen geworden?
Wat is eigenlijk die pure islam? Wat brengt hen samen
– en hoe probeert de AIVD het uit elkaar te drijven?
Wat is de invloed van media en politici? Hoe ziet de
gewapende jihad eruit? Hoe kijken ze naar de toekomst
en naar de hun vijandige buitenwereld? Ik was niet de
ambitie om met dit boek oplossingen aan te dragen, maar
wel om bij te dragen aan de discussie hoe we met moslimextremisme
om moeten gaan.
Het boek Samir geeft mijn interpretatie van het leven
van Samir A. weer aan de hand van de gesprekken die
ik met hem heb gevoerd en zijn dagboek waaruit ik heb
kunnen putten gecombineerd met mijn ervaringen in Dagestan,
de gesprekken met sommige van mijn ontvoerders, gesprekken
met Samirs naasten, boeken van islamitische schriftgeleerden
die Samir mij heeft aangeraden te lezen en anderen bronnen,
zoals internet en kranten.
De afspraak met Samir A. en de anderen die ik sprak,
was dat ik in vrijheid kon beschikken over de informatie
die zij mij gaven. Onder die afspraak valt ook het dagboek
dat Samir mij ter lezing gaf. Ik heb van delen daaruit
gebruikgemaakt, voor zover die in mijn verhaal van pas
kwamen. Samir heeft de uiteindelijke tekst gelezen en
liet mij weten dat ik zijn leefwereld en zijn kijk op
de islam goed heb verwoord. Het belang van dat commentaar
zit voor mij in het gegeven dat mijn weergave een reële
afspiegeling geacht mag worden van wat zich afspeelt
binnen deze groeperingen in Nederland en daarbuiten.
Ik heb dit boek geschreven voor lezers die meer zouden
willen weten over wat er leeft in een groep radicaliserende
jongeren in Nederland. Ik ben door moslimrebellen ontvoerd
geweest, en terug in Nederland had ik de mogelijkheid
om met meerdere fundamentele jongeren te spreken en
hier verslag van te doen. Het probleem doodzwijgen of
net doen alsof met de arrestaties van de kopstukken
het radicaliseringproces een halt is toegeroepen, lijkt
mij een mooi staaltje van struisvogelpolitiek. Hoe meer
inzicht, hoe beter.
|
|